Artikelen 464 tot en met 470/2 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992.
Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017.
Omzendbrief KB ABB 2019/2 over de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019.
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van de inwoners van de gemeente, gelet op de financiële toestand van de gemeente en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven.
Art.1. Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een aanvullende belasting gevestigd ten laste van de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van dit dienstjaar.
Art.2. De belasting wordt vastgesteld op ZEVEN EN HALF (7,5) % van het volgens artikel 466 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 berekende gedeelte van de personenbelasting die aan het rijk verschuldigd is voor hetzelfde aanslagjaar. Deze belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het aanslagjaar voorafgaande jaar.
Art.3. De vestiging en de inning van de gemeentebelasting zullen door het toedoen van het bestuur der directe belastingen geschieden, zoals bepaald in artikel 469 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
Art.4. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026.